Terug naar artikelen
Mening·19 december 2025

Een serieus bedrijf gebruikt geen WooCommerce

Een nuchtere blik op wanneer WooCommerce ophoudt een asset te zijn en stilletjes een beperking wordt.

WooCommerceE-commerceSerieuze groei

Waarom geen WooCommerce meer voor serieuze groei?

Ik ga het direct scherp neerzetten: voor middelgrote bedrijven die serieuze orderafhandeling, duidelijke workflows en groeiambities hebben, vind ik WooCommerce in de praktijk zelden een goede keuze.

Niet omdat WooCommerce “slechte software” is. Het doet precies waar het ooit voor is gemaakt: een WordPress-site omtoveren tot een webwinkel. Voor kleine shops, content-gedreven sites, side-projecten, MVP’s: helemaal prima. Ik heb zelf genoeg projecten gezien waar WooCommerce jarenlang netjes zijn werk heeft gedaan.

Het probleem ontstaat op het moment dat WooCommerce stilletjes promoveert van “handige shopplug-in” naar “ons primaire e-commerce platform en ordermanagementsysteem”. Dat gebeurt meestal zonder expliciete beslissing. Er komt een beetje B2B bij, er wordt wat met staffels en kortingsregels gespeeld, marketing wil wat testjes doen in de checkout, en voordat je het doorhebt hangt de hele operatie aan een WordPress-installatie met teveel plug-ins.

Dan is het niet meer eerlijk om te doen alsof WooCommerce nog steeds een lichte keuze is. Op papier kun je er veel mee. In de praktijk betaal je steeds meer prijs in onderhoud, prestaties, risico bij updates en vooral: grip op je eigen processen.

Dit stuk gaat over dat kantelpunt, en hoe je er op een volwassen manier over kunt praten – zonder schaamte en zonder religieuze “tool wars”.

WooCommerce is niet “slecht”, maar vaak wel een verkeerde keuze

Laat ik ook de andere kant duidelijk zeggen: WooCommerce is niet “kapot” of “fout”. Het is consequent in zijn ontwerpkeuzes: WordPress-conventies, thema’s, plug-ins, hooks, filters, een lage instapdrempel.

Dat is precies waarom het zo populair is geworden. Je krijgt relatief snel een werkende shop. De drempel voor experimenten is laag. Voor veel kleine ondernemers is dat fantastisch.

Maar zodra de omzet serieuze vormen begint aan te nemen en je bedrijf afhankelijk wordt van:

  • stabiele orderstromen,
  • duidelijke interne workflows,
  • B2B-logica met afspraken en uitzonderingen,

krijg je een andere discussie. Dan gaat het minder om “krijgen we het werkend?” en meer om:

  • “Hoe goed kunnen we dit onderhouden?”
  • “Hoe veilig kunnen we veranderen?”
  • “Hoe voorspelbaar is dit systeem als we de complexiteit verder opvoeren?”

En daar begint WooCommerce, samen met het onderliggende WordPress-model, vaak te kraken.

De plug-inreflex: van kracht naar technische schuldenlast

Eén van de grote verleidingen van WooCommerce is de plug-inreflex. Iemand in het bedrijf zegt: “We willen X,” en vrijwel automatisch volgt:

“Er is vast wel een plug-in voor.”

In het begin voelt dat bijna magisch. Nieuwe betaalmethodes, kortingsmechanismes, productbundels, B2B-laag, marketingintegraties: je zoekt iets, je installeert het, je vinkt wat instellingen aan, en je bent klaar. Je levert in dagen op wat anders weken kost.

Maar ondertussen bouw je – stukje bij beetje – een systeem waarin je kernprocessen verspreid raken over een hele rij plug-ins. Je checkout, pricing, verzending, voorraad en after-sales hangen aan code van leveranciers die jij niet aanstuurt.

Ik heb genoeg shops gezien met:

  • tientallen actieve plug-ins die allemaal aan winkelmand, prijs, voorraad of checkout trekken;
  • overlappende functies (korting wordt op drie plekken berekend);
  • plug-ins die allebei aan dezelfde hook hangen en elkaar subtiel in de weg zitten.

Debuggen wordt dan geen “wat doet onze applicatie?”, maar “welke plug-in haakt hier in, in welke volgorde, en wie wint er?”. Wie ooit op vrijdagmiddag in do_action( 'woocommerce_before_calculate_totals' ) heeft uitgezocht waarom sommige klanten een rare prijs krijgen, weet hoe weinig controle je dan nog ervaart.

Het echte probleem is niet simpelweg “te veel plug-ins”. Het is afhankelijkheid. Je bent afhankelijk van:

  • de roadmap van plug-in-auteurs,
  • hun update-discipline,
  • hun interpretatie van WooCommerce- en WordPress-internals,
  • hun compatibiliteit met elkaars keuzes.

Voor een kleine shop is dat risico vaak acceptabel. Voor een middelgroot bedrijf dat leeft van online omzet en serieus ordermanagement nodig heeft, is dat een heel ander verhaal.

Naar stakeholders toe werkt taal als:

“Onze kernprocessen – prijzen, korting, checkout, verzending – hangen nu aan een cluster van plug-ins. Elke update van één zo’n plug-in kán onverwacht ons bestelproces beïnvloeden. We komen hier niet meteen door in de problemen, maar de structurele risico’s stapelen zich wel op.”

Dat is precies het punt waar “lekker veel plug-ins” ophoudt een compliment te zijn.

Prestaties, onderhoud en de angst voor de update-knop

Performanceproblemen met WooCommerce zijn vaak sluipend. De eerste maanden is alles meestal “snel genoeg”. De echte pijn komt als drie dingen tegelijkertijd gebeuren:

  1. je catalogus groeit;
  2. het verkeer en het aantal ingelogde gebruikers nemen toe;
  3. marketing en sales stapelen tracking, funnels en personalisatie bovenop de bestaande setup.

Onder water draait nog steeds het WordPress-verzoekmodel. Bij elk request:

  • wordt WordPress opgetuigd,
  • wordt het thema geladen,
  • worden alle actieve plug-ins geladen,
  • lopen hooks en filters langs, met de bijbehorende queries.

Voor een simpele blog met een winkelmandje is dat prima. Voor een drukke B2B-shop met complexe logica wordt het een serieus gewicht per request.

Het patroon dat ik vaak zie:

  • eerst ga je naar betere hosting: meer CPU, RAM, misschien dedicated;
  • daarna komt caching: full-page cache, object cache, database-tuning;
  • vervolgens ga je plug-ins uitmesten, scripts minimaliseren, CDN toevoegen;
  • en dan begin je binnen plug-ins te patchen, of met custom snippets om net dat ene performanceprobleem te omzeilen.

Dat alles levert winst op. Maar je fundamentele model blijft hetzelfde: een zwaar, plug-inrijk WordPress-verzoek per paginaweergave. Je blijft schuiven binnen dezelfde grenzen.

Onderhoud lijdt daar minstens zo erg onder. Nieuwe developers moeten niet alleen WooCommerce kennen, maar ook jouw specifieke plug-inlandschap en alle besloten logica in hooks. Refactoren is spannend, omdat je nooit helemaal zeker weet welke andere plug-in nog meekijkt.

Op een gegeven moment ontstaat de “niet-aan-komen-modus”:

  • updates worden uitgesteld;
  • kleine wijzigingen vragen om uitgebreide testplannen;
  • niemand durft meer zomaar op “update” te klikken, zeker niet in WordPress-core of WooCommerce.

Dan is de hamvraag niet meer: “Kunnen we WooCommerce sneller maken?”, maar: “Is dit nog een architectuur waar we comfortabel op kunnen blijven bouwen?”.

Zo leg ik dat graag uit:

“We kunnen nog best extra optimaliseren, maar we blijven een complex commercieel systeem duwen door een content-CMS. Op een bepaald schaalniveau is niet hosting de beperkende factor, maar de manier waarop het systeem is opgebouwd. Daar lopen we nu tegenaan.”

Waar WooCommerce echt tegenwerkt: pricing, B2B en workflows

WooCommerce kan prima overweg met B2C-retail in de basis: vaste prijzen, simpele kortingen, standaard checkout. Maar de werkelijkheid voor middelgrote bedrijven is meestal complexer.

Bij B2B krijg je vrijwel meteen te maken met:

  • klant- of account-specifieke prijsafspraken;
  • staffels en kortingsregels per klantgroep of producttype;
  • kredietlimieten, interne fiattering, offerteflows;
  • afwijkende betalingscondities en facturatiestromen;
  • koppelingen met ERP of andere backoffice-systemen.

Al die logica kun je met genoeg doorzettingsvermogen in WooCommerce frommelen. Met custom post meta, klantrollen, pricing-plug-ins, maatwerk-hooks. Maar je vecht dan tegen een datastructuur en objectmodel dat níet is ontworpen voor contractpricing en complexe bedrijfsregels.

Hetzelfde geldt voor meerlaagse pricing:

  • volumekortingen over categorieën heen,
  • bundels waarvan de prijs per context verandert,
  • promoties die over meerdere orders of perioden lopen,
  • regels die finance en sales moeten kunnen volgen én uitleggen.

In WooCommerce belandt dit al snel in:

  • een mix van verschillende pricing-plug-ins,
  • wat custom code in functions.php of een maatwerkplug-in,
  • én allerlei instellingen in de WooCommerce-admin.

Op de korte termijn werkt het. Op de lange termijn is het bijna niet meer uit te leggen waarom een specifieke klant op een specifiek moment een bepaalde prijs kreeg. Laat staan dat je dat goed kunt testen.

Daarbovenop komen afwijkende orderflows:

  • multi-step funnels die méér zijn dan “mandje → checkout → bedankt”;
  • orderstatussen met procesbetekenis voor logistiek, support en finance;
  • externe checks (risicoscores, beschikbaarheid, handmatige controles) voordat een order “echt” definitief mag zijn.

Ook dat kun je in WooCommerce modelleren. Maar het kost veel frictie, omdat je de standaard-lifecycle steeds verder uitrekt.

En hier komt mijn persoonlijke overtuiging om de hoek kijken:

Voor middelgrote bedrijven die een goed ordermanagement en duidelijke workflows nodig hebben, is WooCommerce vrijwel nooit een gezonde langetermijnbasis.

Je kunt het werkend krijgen, maar je krijgt er een systeem voor terug waarvan de structuur, testbaarheid en voorspelbaarheid onder druk staan.

Richting stakeholders formuleer ik dat graag zo:

“We laten WooCommerce nét doen alsof het onze processen 1-op-1 ondersteunt, maar feitelijk ontwerpen we onze bedrijfslogica in de randen van een plug-in ecosysteem. Dat is omgekeerd: je wilt je platform rond je processen heen vormgeven, niet je processen rond de beperkingen van een plug-in.”

De verborgen prijs van “gratis” plug-ins en snelle lapmiddelen

De aantrekkingskracht van gratis of goedkope plug-ins is enorm. Je voelt je efficiënt: “We hebben dit in een middag opgelost in plaats van er een sprint aan te wijden.”

Maar “gratis” in een commercieel systeem betekent meestal:

  • afhankelijk zijn van iemand anders’ hobby- of businessmodel;
  • geen garantie op onderhoud of snelle securityfixes;
  • geen zeggenschap over roadmap of kwaliteitsniveau.

De verborgen kosten verschijnen pas later:

  • een plug-in wordt niet langer onderhouden, maar zit wel in je checkout;
  • er duikt een beveiligingslek op waar niemand nog naar omkijkt;
  • een nieuwe PHP-versie of WooCommerce-release breekt cruciale functionaliteit;
  • je moet halsoverkop een vervanger zoeken of maatwerk bouwen.

Voor een blog is dat vervelend.
Voor een bedrijf dat dagelijks omzet en klantdata door die site jaagt, is het een serieus operationeel risico.

Daar komt bij dat je met elke plug-in impliciet een contract sluit:

“Beste plug-in-auteur, wil jij alsjeblieft zorgen dat dit blijft werken met toekomstige updates van WooCommerce, WordPress, PHP én alle andere plug-ins waar je misschien tegenaan botst?”

Dat is een stevige verwachting richting iemand die je misschien nooit hebt gesproken.

Dat wil niet zeggen dat je nooit gratis plug-ins moet gebruiken. Maar je moet de beslissing eerlijk framen. Ik zeg bijvoorbeeld vaak:

“We kunnen deze gratis plug-in inzetten en dan zijn we snel. Maar dan hangt een stuk van ons proces aan een derde partij die we niet aansturen. Als zij stoppen of achterlopen, zitten wij in de stress. Dat moet je meerekenen in de ‘prijs’.”

Dat is geen doemscenario, maar gewoon het complete plaatje.

Signalen dat je WooCommerce stilletjes ontgroeid bent

De meeste organisaties roepen niet hardop: “We zijn te groot geworden voor WooCommerce.” Je glijdt erin. Er zijn wel patronen die ik bijna overal tegenkom.

Een eerste signaal is dat routinewijzigingen niet meer routineus voelen.
Een extra veld in de checkout, een lichte aanpassing van prijsregels, een extra logistieke koppeling toevoegen – het wordt steeds vaker een mini-project met:

  • een dedicated staging-sessie,
  • regressietests,
  • een informele of formele change freeze.

Dat betekent dat je platform te fragiel is geworden voor de manier waarop je het gebruikt.

Een tweede signaal: niemand kan in één keer uitleggen waar de echte business rules wonen.
Op de vraag “waarom kreeg deze klant deze prijs?” volgt een zoektocht langs:

  • kortinginstellingen in WooCommerce,
  • instellingen in een of meer pricing-plug-ins,
  • één of twee hooks met custom code,
  • én soms nog rolgebaseerde regels.

Als simpele vragen veel tijd en context kosten, is je logica te verspreid geraakt.

Een derde signaal: performance-optimalisaties leveren steeds minder op.
Je hebt serieuze hosting, caching, een CDN, database-tuning, maar:

  • ingelogde B2B-klanten ervaren traagheid;
  • piekperiodes (acties, campagnes) laten de shop zweten;
  • admin-schermen (orders, rapportages) worden tergend langzaam.

Dan ben je minder tegen “slechte hosting” aan het vechten, en meer tegen het onderliggende requestmodel en de plug-instapel.

Een vierde signaal: updates worden gezien als risico in plaats van hygiëne.
Iedereen herinnert zich “die keer dat een update de checkout brak”, en sindsdien is de reflex:

  • updates uitstellen,
  • alles eerst uitgebreid testen,
  • liever een oude, kwetsbare versie draaien dan production-risk nemen.

Een vijfde signaal: de ontwikkelsnelheid past niet meer bij de ambities.
Je weet functioneel wat er moet gebeuren, maar de technische inschatting loopt op omdat:

  • alles door een kwetsbaar plug-inlandschap heen moet;
  • de testimpact groot is;
  • rollbackscenario’s ingericht moeten worden.

De business groeit sneller dan de wendbaarheid van het platform.

Ik vat dat vaak zo samen:

“De winkel draait, maar elke verandering wordt duurder, trager en riskanter. Dat komt niet omdat we het ‘niet goed genoeg doen’, maar omdat we een platform tot rol verheven hebben waar het architectonisch eigenlijk niet voor bedoeld is.”

Eerlijk kijken naar alternatieven, zonder religieuze discussies

“Geen WooCommerce meer” betekent niet dat je morgen alles moet herschrijven in het nieuwste framework. Het betekent wél dat je expliciet moet kiezen wat voor type fundament je nodig hebt voor de komende jaren.

Grofweg zie ik drie richtingen terug bij bedrijven die deze discussie serieus voeren.

1. Eigen applicatielaag als kern

Je bouwt een eigen backend in een stack die bij je team past (Laravel, Django, Node, Go, .NET, …), waarin:

  • je je eigen domeinmodel vastlegt (orders, klanten, rollen, statussen, pricing);
  • je één plek hebt waar business rules leven;
  • koppelingen naar ERP, WMS, CRM en payment providers expliciet zijn.

WooCommerce kan dan nog een rol spelen als:

  • contentlaag (blog, CMS),
  • tijdelijke storefront,
  • of zelfs niet meer dan een migratiebron.

Je wint hier controle, helderheid en testbaarheid. Je verliest het idee van “even een plug-in installeren en klaar”, en je hebt een stabieler devteam nodig.

2. Headless of decoupled als tussenstap

Je scheidt frontend en backend. De frontend (bijvoorbeeld in Next.js of Nuxt) spreekt via API’s met de backend. In eerste instantie is die backend misschien nog WooCommerce, maar je creëert ruimte om gaandeweg meer logica naar eigen services te trekken.

Dat geeft:

  • betere controle over UX en performance aan de voorkant;
  • een helderder integratiepunt (API) tussen frontend en businesslogica;
  • de mogelijkheid om backendonderdelen gefaseerd te vervangen.

Maar het lost de backend-complexiteit niet automatisch op. Als WooCommerce de volledige businesslogica blijft dragen, blijft dat je bottleneck.

3. SaaS-commerceplatforms

Denk aan Shopify, BigCommerce of soortgenoten. Je legt een deel van je zorgen neer bij een partij die commerce als core business heeft. Je ruilt alleen het ene ecosysteem voor het andere in: WooCommerce-plug-ins worden Shopify-apps, etc.

Voordelen:

  • operationele lasten (hosting, security, basisperformance) liggen elders;
  • je krijgt een platform dat wél vanaf dag één rond commerce is ontworpen;
  • veel standaarddingen zijn goed genoeg out-of-the-box.

Nadelen:

  • je hebt nog steeds te maken met app-afhankelijkheden;
  • extreem maatwerk kan lastig of kostbaar worden;
  • het datamodel en de workflows zijn niet per definitie jouw ideale proces.

Voor sommige bedrijven is dit precies de juiste trade-off. Voor anderen voelt het te beperkt en is een eigen applicatielaag logischer.

Het punt is niet dat één route “de winnaar” is.
Het punt is dat WooCommerce als primair order- en workflowsysteem zelden een eerlijke keuze is voor middelgrote bedrijven met serieuze e-commerce ambities. Het kan wel, maar de echte prijs betaal je in onderhoud, flexibiliteit en risico.

Hoe je dit gesprek voert met stakeholders zonder drama

Veel platformdiscussies ontaarden in identiteitsvragen: “Wij zijn een WordPress-shop”, “wij zijn open source”, “wij zijn juist van SaaS”. Daar schiet je weinig mee op.

Een nuttigere vraag is:

“Welke prijs betalen we over 1–3 jaar als we zo doorgaan, en welke prijs betalen we als we nu bewust voor een ander fundament kiezen?”

In plaats van te vragen: “Kan WooCommerce dit?”, kun je formuleren:

“Wat kost het – in onderhoud, risico en wendbaarheid – om WooCommerce dit te laten doen, vergeleken met alternatieven?”

Als developer of tech lead kun je dat nuchter neerzetten:

  • “WooCommerce is niet de boeman. Het is gewoon niet ontworpen als volwaardig ordermanagement- en workflow-systeem voor een middelgroot bedrijf. Wij zetten het nu wel in die rol. Dat kan, maar elke volgende stap wordt daardoor duurder.”

  • “We kunnen hier nog een tijd mee verder, maar dan wél met open ogen. Elke extra plug-in of workaround verhoogt de kans dat een toekomstige update pijn gaat doen. Dat is geen paniekverhaal, dat is hoe complexiteit werkt.”

  • “Als we echt willen groeien, hebben we een plek nodig waar onze bedrijfslogica centraal en onder onze controle leeft, niet verspreid in vijftien plug-ins en vijf config-schermen. Dat hoeft geen big bang te zijn, maar wel een plan.”

Je shamed daarmee niemand die op WooCommerce begonnen is.
Je zegt alleen: “Voor wat we nu zijn, en waar we naartoe willen, is dit niet meer het juiste gereedschap.”

En dat is een terechte, bijna onvermijdelijke conclusie voor veel zelfrespecterende bedrijven die ooit heel pragmatisch met WooCommerce zijn gestart.


Veelgestelde bezwaren (en korte replieken)

“Maar onze WooCommerce-shop draait toch prima?”

Dat kan heel goed waar zijn. De vraag is alleen niet: “Werkt het vandaag?”, maar:

“Wat kost het ons om over zes of twaalf maanden iets wezenlijks te veranderen?”

Als wijzigingen nu nog goedkoop en relatief veilig zijn, is er geen acute nood. Maar het is goedkoper om deze discussie te voeren vóórdat je vastloopt tijdens een incident of een urgente business-wijziging.

“We steken liever nog wat tijd in optimalisatie en betere hosting.”

Dat is zinvol en kan ook echt lucht geven. Maar het adresseert vooral symptomen: trage queries, zware pagina’s, piekbelasting.

Als elke kleine wijziging tegelijkertijd meer risico meebrengt, is het probleem niet alleen performance, maar architectuur. Dan gaat het minder om “sneller” en meer om “anders ingericht”.

“Een alternatief platform bouwen of kiezen is duurder dan WooCommerce houden.”

Als je alleen naar licentiekosten of initiële bouwkosten kijkt: zeker.
Maar als je de kosten meeneemt van:

  • vertraagde of afgeblazen features,
  • gebroken updates en brandjes blussen,
  • verminderde wendbaarheid,
  • onzekerheid rond compliance en security,

dan ziet de rekensom er anders uit. Een “goedkoop” platform kan een dure organisatie opleveren.


TL;DR voor technische beslissers

WooCommerce is prima voor kleine en eenvoudige shops, maar is in de praktijk zelden een gezonde langetermijnbasis voor middelgrote bedrijven met serieuze orderstromen, B2B-logica en complexe workflows.

De combinatie van:

  • zware afhankelijkheid van plug-ins,
  • het WordPress-requestmodel,
  • en een datastructuur die niet is ontworpen voor geavanceerd ordermanagement,

leidt na verloop van tijd tot:

  • fragiele checkout- en pricingflows verdeeld over meerdere plug-ins;
  • toenemende performanceproblemen ondanks betere hosting en caching;
  • hoge upgrade- en wijzigingsrisico’s, waardoor verandering duur en traag wordt.

Je kunt dat een tijd lang managen met optimalisaties en discipline, maar de structurele trend is dat iedere wijziging zwaarder wordt. Op dat punt is de vraag niet meer of WooCommerce “werkt”, maar of het nog een eerlijk fundament is voor de rol die het in je organisatie speelt.

De volwassen stap is om expliciet te evalueren:

“Willen we dat WooCommerce ook de komende jaren ons primaire order- en workflow-systeem blijft, met de bijbehorende beperkingen, of is het tijd om bewust naar een ander fundament toe te groeien?”

Dat gesprek vroeg voeren is goedkoper dan wachten tot je het midden in een productie-incident moet voeren.